|
|
||||||
|
#1
|
|
|
|
|
Ontvangen zorgtoeslag moet bij de berekening van aftrekbare buitengewone
uitgaven in mindering worden gebracht op het vaste aftrekbare bedrag. In geval dus geen voorlopige zorgtoeslag is aangevraagd (of is uitgegaan van een hoger toetsingsinkomen en dus een lager voorschot), zal het drempelbedrag eerder worden bereikt. Dit zou betekenen, dat het financieel aantrekkelijker is, om geen of een laag voorschot te ontvangen en het definitieve hogere bedrag pas achteraf te ontvangen. Weliswaar verplicht de Belastingdienst om wijzigingen door te geven, het juist berekenen van het toetsingsinkomen is vooraf niet altijd mogelijk en kan vaak pas aan het eind of na afloop van het belastingjaar worden vastgesteld. Raar dus, dat iemand door de zorgtoeslag minder kosten kan aftrekken dan iemand die die toeslag pas achteraf bij de definitieve afrekening krijgt uitbetaald. Of zie ik dit helemaal verkeerd? Jos |
|
|
|
#2
|
|
|
|
|
"Jos" <jgl> schreef in bericht
news:tr9c [..] > uitbetaald. > Of zie ik dit helemaal verkeerd? > Jos Daar zou ik maar van uit gaan: Relevante wettekst Wet inkomstenbelasting 2001: Artikel 6.24. Omvang in aanmerking te nemen uitgaven 1. Het bedrag aan uitgaven gedaan voor de in de tweede volzin genoemde posten wordt verhoogd met 113%, indien het verzamelinkomen van het kalenderjaar vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, niet te boven gaat het bedrag dat is genoemd in de tweede regel van de tweede kolom van de tabel in artikel 2.10. De in de eerste volzin bedoelde posten zijn: (enz) 2. Buitengewone uitgaven worden in aanmerking genomen voorzover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge het eerste lid, meer bedragen dan: a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek ? 6783 niet te boven gaat: ? 780 verminderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, en vermeerderd met de zorgtoeslag, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, met dien verstande dat bij de berekening van het bedrag van de zorgtoeslag wordt uitgegaan van het toetsingsinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek ? 6 783 te boven gaat: 11,5% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek verminderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, en vermeerderd met de zorgtoeslag, met dien verstande dat bij de berekening van het bedrag van de zorgtoeslag wordt uitgegaan van het toetsingsinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. 3. ( enz.) Relevante tekst Wet op de zorgtoeslag: Artikel 2 1. Indien de normpremie voor een verzekerde in het berekeningsjaar minder bedraagt dan de standaardpremie in dat jaar, heeft de verzekerde aanspraak op een zorgtoeslag ter grootte van dat verschil. Voor een verzekerde met een partner wordt daarbij tweemaal de standaardpremie in aanmerking genomen; in dat geval worden de verzekerde en zijn partner voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben. 2. De normpremie bedraagt een percentage van het drempelinkomen in het berekeningsjaar, vermeerderd met een percentage van het toetsingsinkomen van de verzekerde in dat jaar voorzover dat toetsingsinkomen het drempelinkomen te boven gaat. Voor een verzekerde met een partner wordt daarbij het gezamenlijke toetsingsinkomen in aanmerking genomen. 3. De percentages worden voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat en voor een verzekerde zonder partner op 3,5% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat. Deze percentages kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. 4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de aanspraak op een zorgtoeslag voor een verzekerde met een partner die geen verzekerde is, vijftig procent van het op grond van het eerste lid berekende bedrag. 5. In afwijking van het eerste lid heeft een verzekerde met een partner die niet heeft voldaan aan de voor hem op grond van artikel 2 van de Zorgverzekeringswet geldende verplichting zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren, geen aanspraak op een zorgtoeslag. 6. De aanspraak op een zorgtoeslag wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald. 7. Bij regeling van Onze Minister kunnen omtrent het bepaalde in het zesde lid nadere regels worden gesteld. ** Het lijkt dus niet relevant te zijn of en zo ja, op welk moment, de zorgtoeslag is uitbetaald. |
|
#3
|
|
|
|
|
"bestweter" <bestweter> schreef in bericht
news:5pg1 [..] > zorgverzekering te verzekeren, geen aanspraak op een zorgtoeslag. > 6. De aanspraak op een zorgtoeslag wordt voor iedere kalendermaand > afzonderlijk bepaald. > 7. Bij regeling van Onze Minister kunnen omtrent het bepaalde in het > zesde lid nadere regels worden gesteld. > ** > Het lijkt dus niet relevant te zijn of en zo ja, op welk moment, de > zorgtoeslag is uitbetaald. Volgens het aangifteprogramma moet de in 2006 ontvangen zorgtoeslag worden vermeld. Dit betekent m.i. dat er in 2006 (wanneer het definitieve bedrag aan zorgtoeslag voor dat jaar nog niet bekend is) voor- of nadeel kan ontstaan. Volgende jaren dient ook zorgtoeslag die is ontvangen/terugbetaald over voorgaande jaren te worden meegenomen en zal dat voor- c.q. nadeel relatief beperkt blijven. |
|
|